Tussen een wervel en de tussenwervelschijf ligt de eindplaat, een dun laagje kraakbeen en bot. Via die eindplaat krijgt de schijf zijn voeding. Wordt een schijf ouder en platter, dan verandert de belasting op de eindplaat en op het beenmerg er vlak achter. Die verandering is op een MRI te zien als een band met een afwijkend signaal, aan één of beide kanten van de schijf.
De Amerikaanse radioloog Michael Modic beschreef in 1988 drie patronen. Sindsdien dragen ze zijn naam. Een radioloog herkent ze door twee soorten opnamen te vergelijken: de T1-opname, waarop vet licht is, en de T2-opname, waarop vocht licht is.
Modic type 1: vocht en een actieve reactie
Bij type 1 is de band donker op T1 en licht op T2. Dat wijst op vocht in het beenmerg, oedeem genoemd, met extra doorbloeding. Het bot reageert actief op wat er bij de schijf gebeurt, vergelijkbaar met een ontstekingsreactie. Type 1 is van de drie het vaakst gekoppeld aan rugpijn en kan na verloop van tijd overgaan in type 2.
Modic type 2: vervetting, een rustiger beeld
Bij type 2 is de band licht op T1 en licht of gelijk aan het omliggende bot op T2. Het rode, bloedvormende beenmerg is daar vervangen door geel vetmerg. Dit is het meest voorkomende type. Het past bij een proces dat tot rust is gekomen en wordt vaak gezien bij mensen zonder klachten.
Modic type 3: verdicht bot
Bij type 3 is de band donker op zowel T1 als T2. Het bot onder de eindplaat is dichter en harder geworden, sclerose in vaktaal. Dit type is zeldzaam en hoort bij een langdurig proces. Mengvormen komen voor; een verslag noemt dan bijvoorbeeld type 1/2.
| Type | T1-opname | T2-opname | Wat er in het bot speelt |
|---|---|---|---|
| Modic 1 | donker | licht | vocht (oedeem), actieve reactie |
| Modic 2 | licht | licht of gelijk | vetmerg, rustig beeld |
| Modic 3 | donker | donker | verdicht bot (sclerose) |


