Een sneetje van een vel papier doet gemeen pijn, terwijl de schade verwaarloosbaar is. En wie tijdens een wedstrijd een flinke blauwe plek oploopt, merkt dat soms pas onder de douche. Pijn en schade lopen dus niet gelijk op. Dat geldt ook voor de rug.
Pijnonderzoekers omschrijven pijn als een onaangename ervaring die past bij weefselschade of bij de dreiging ervan. Dat laatste is belangrijk. Het lichaam wacht niet tot er iets stuk is, het waarschuwt eerder.
In spieren, gewrichten en schijven zitten sensoren die druk, rek, temperatuur en chemische veranderingen registreren. Hun signalen gaan via het ruggenmerg naar de hersenen. Daar wordt gewogen: wat is dit, heb ik het eerder gevoeld, hoe moe ben ik, is er reden voor zorg? Pas na die weging voelt u pijn, of niet.
De hersenen maken dus een inschatting van gevaar, geen meting van schade. Bij een gebroken been klopt die inschatting precies. Bij rugpijn die weken of maanden aanhoudt, staat het systeem vaak voorzichtiger afgesteld dan nodig is.


