MRI staat voor magnetic resonance imaging. Het apparaat werkt met een sterke magneet en radiogolven, niet met röntgenstraling. U ligt twintig tot dertig minuten stil in een tunnel die flink tikt en bromt. Het resultaat is een reeks plakjes van uw rug, van opzij en dwars.
Op die plakjes zijn de zachte delen goed te zien: tussenwervelschijven, zenuwwortels, het ruggenmerg, banden en spieren. Ook vocht in het bot valt op. Een röntgenfoto laat daarvan bijna niets zien. Daarom kiest een arts voor de MRI als hij een zenuw of een schijf wil beoordelen.
Wat een MRI niet meet
De opname is een stilstaand beeld van een liggend lichaam. Hoe uw rug beweegt, hoe sterk uw rompspieren zijn en hoe scherp uw zenuwstelsel staat afgesteld, is er niet op te zien. Pijn zelf ook niet. Dat maakt de MRI een goed antwoord op een gerichte vraag en een matig antwoord op de vraag waarom het pijn doet. Alle onderzoeken op een rij vindt u in het thema diagnose en beeldvorming.


